De paradox van ‘zorgvuldige’ genderzorg: zicht alleen op de drie centra, blinde vlek voor de rest van de keten
22 oktober 2026
|
Redactie Genspect Nederland
|
Analyse

Schermafbeelding uit het AD-artikel van 28 augustus 2026: hormoondeskundige Christa van Bunderen (Radboudumc) over mensen die zelf met medicatie gaan sleutelen.
Op 30 juni 2026 publiceerde de Gezondheidsraad haar langverwachte advies over transgenderzorg voor jongeren. De conclusie moest vooral geruststellen: de zorg in Nederland is “zorgvuldig ingericht”. Hormoonbehandelingen zouden “fysiek doen wat ze moeten doen”, er zou op basis van de beschikbare gegevens geen directe aanleiding zijn tot zorg over ongewenste effecten, en het stapsgewijze proces van diagnostiek en indicatiestelling zou voldoende waarborgen bieden. Daarom ziet de raad geen reden om de behandelingen te stoppen of een pauzeknop in te drukken.
Genspect deelt die conclusie allerminst. Dat hormonen lichamelijk effect hebben, bewijst niets over de vraag of ze jongeren ook beter maken. “Geen directe aanleiding tot zorg” is iets anders dan aantonen dat het veilig is, zeker bij een behandeling die deels onomkeerbaar is en waarvan de langetermijngevolgen onvoldoende bekend zijn. En een stapsgewijs proces is nog geen waarborg als niemand kan controleren hoe zorgvuldig die stappen in de praktijk worden gezet. Een pauzeknop is geen overbodige luxe, maar het minste wat je mag verwachten van een zorgvuldige overheid, juist omdat de bewijsbasis zo zwak is.
Twee maanden later, op 28 augustus 2026, verscheen in het AD een bericht over de praktijk bij het Radboudumc. Ongeveer 15 procent van de mensen op de wachtlijst voor transgenderzorg gebruikt al hormonen. Bij ongeveer 30 procent van die groep liggen de doseringen of hormoonspiegels buiten de grenzen die het Radboud zelf hanteert. Endocrinoloog Christa van Bunderen noemde onbegeleid hormoongebruik zorgelijk vanwege mogelijke gezondheidsrisico’s. Het artikel koppelde dit expliciet aan de extreem lange wachttijden: het Radboud riep op dat moment nog mensen op die zich in 2022 hadden aangemeld.
Een oordeel over drie centra
De Gezondheidsraad baseert haar oordeel over “zorgvuldigheid” grotendeels op de praktijk binnen de drie academische gendercentra (Amsterdam UMC, Radboudumc en UMC Groningen). Maar de Nederlandse genderzorg is allang niet meer beperkt tot die drie centra. Diagnostiek en begeleiding vinden steeds vaker plaats bij zelfstandige psychologenpraktijken en andere aanbieders. Hormoonbehandeling kan vervolgens ook buiten de gespecialiseerde centra plaatsvinden. Organisaties als Buro JIJ (inmiddels deels verder onder de naam De Majorettes Genderzorg) bieden psychologische indicatiestelling en begeleiding, en verwijzen door naar medische zorg. Huisartsen spelen eveneens een rol, of krijgen die toebedeeld.
Wat we niet weten
Hier ontstaat de kern van het probleem. Naarmate de zorg decentraliseert, verdwijnt het centrale zicht op wat er gebeurt. Er is geen landelijk register, geen systematische uitkomstregistratie en geen structurele follow-up van patiënten die via deze routes worden gediagnosticeerd. We weten niet:
- hoeveel mensen via zelfstandige praktijken een diagnose krijgen;
- welke diagnostische procedures daar worden gehanteerd;
- hoe streng of soepel de criteria voor indicatiestelling zijn;
- hoeveel patiënten al hormonen gebruiken voordat zij bij een academisch centrum aankomen;
- wat de langetermijnuitkomsten zijn van deze trajecten.
De Gezondheidsraad kan dus hooguit stellen dat er binnen de onderzochte gespecialiseerde centra bepaalde waarborgen bestaan. Zij kan niet onderbouwen dat de Nederlandse genderzorg als geheel zorgvuldig is georganiseerd. Want het grootste deel van de keten – de voorafgaande diagnostiek, de begeleiding buiten de centra en de zorg die mensen zelf organiseren tijdens de wachttijd – blijft buiten beeld.
De wachtlijst als venster
Het AD-artikel maakt dit concreet. De wachtlijst van het Radboud functioneert als een venster op de zorg die elders plaatsvindt. Mensen arriveren al behandeld, soms met doseringen die buiten de grenzen van het gespecialiseerde centrum vallen. Dat is precies de situatie die de gespecialiseerde zorg zelf als risicovol bestempelt. Toch is er geen structurele informatie over hoe die voorafgaande zorg tot stand komt, welke criteria worden gebruikt, of welke nazorg plaatsvindt.
Deze lacune is niet nieuw. Al in april 2020 schreef toenmalig minister Van Rijn dat mensen door onvoldoende beschikbare endocrinologische zorg hun toevlucht namen tot zelfmedicatie. Hij verwees naar de kwaliteitsstandaard, die stelde dat de instelfase door een endocrinoloog of gespecialiseerde gynaecoloog in samenwerking met een psycholoog moest worden uitgevoerd. Zes jaar later is het probleem onverminderd aanwezig en zelfs zichtbaarder geworden door de aanhoudende wachttijden. In september 2026 stelden Kamerleden hierover opnieuw vragen, met verwijzing naar precies het AD-artikel.
Een epistemisch probleem
De methodologische kritiek is daarom scherp te formuleren: de Gezondheidsraad beoordeelt een zorgstelsel dat in werkelijkheid steeds verder uitwaaiert buiten de drie academische centra, maar de beschikbare gegevens lijken vooral betrekking te hebben op die centra. Dat is een epistemisch probleem. Je kunt niet claimen dat iets zorgvuldig gebeurt wanneer je onvoldoende zicht hebt op het grootste deel van de zorgketen.
De decentralisatie heeft een merkwaardige paradox gecreëerd. Naarmate diagnostiek en behandeling buiten de drie academische gendercentra plaatsvinden, wordt de centrale informatie over die zorg schaarser. Toch wordt de kwaliteit van het Nederlandse systeem beoordeeld alsof de praktijk binnen deze drie centra representatief is voor de gehele keten.
Waar zijn de gegevens over de patiënten die via zelfstandige psychologenpraktijken worden gediagnosticeerd? Waar is de systematische follow-up? Waar zijn de uitkomstgegevens? Welke verschillen bestaan er tussen aanbieders in diagnostiek, indicatiestelling en verwijzing naar hormoonbehandeling? En wie controleert de kwaliteit wanneer de huisarts of een perifere behandelaar een deel van het traject overneemt?
Dat zijn geen vragen die je kunt beantwoorden door alleen naar VU, Radboud en UMCG te kijken. Zolang die vragen onbeantwoord blijven, is de stellige claim dat de Nederlandse genderzorg “zorgvuldig” is, op zijn best voorbarig en op zijn slechtst misleidend.
De Gezondheidsraad heeft de zorgvuldigheid van een deel van het systeem beschreven. Over de rest van de keten zwijgt zij – en dat zwijgen is precies het probleem.
Bronnen
Gezondheidsraad, “Transgenderzorg voor jongeren zorgvuldig ingericht”, 30 juni 2026. Lees het bericht.
AD, “Genderzorg kan vraag niet aan, transmensen beginnen soms zelf al met hormonen”, 28 augustus 2026. Lees het artikel.
Kamervragen van de leden Vliegenthart, Westerveld en Moorman (GroenLinks-PvdA) over de wachttijden in de genderzorg, 17 september 2026 (2026Z19027). Bekijk de Kamervragen (pdf).
NRC, “Gezondheidsraad: ondanks ‘onzekere’ wetenschappelijke basis… blijft transgenderzorg voor jongeren houdbaar”, 30 juni 2026.
Informatie over Buro JIJ / De Majorettes Genderzorg: burojij.nl en demajorettes.nl (2024–2026).
Historische verwijzing: brief en uitlatingen van minister Van Rijn (2020) over zelfmedicatie in de genderzorg, aangehaald in latere Kamervragen.
