16 oktober 2026
De 'transbrein'-mythe blijft instorten: van Swaab & Gooren tot Kurth et al. (2022)
De claim dat transgender-identiteit een aangeboren 'brein-seks'-mismatch is, heeft dertig jaar lang impact gehad. Een nieuwe peer review laat zien dat de methoden van Kurth et al. (2022) systematisch gebrekkig zijn.
Redactie Genspect Nederland
|
Wright, Rochussen & Stagg (2026), Theory and Society

De 'Brain Sex Index' uit Kurth et al. (2022): de verschuiving van transgender vrouwen richting cis-vrouwen blijkt statistisch fragiel.
De claim dat transgender-identiteit een aangeboren 'brein-seks'-mismatch is, heeft al dertig jaar lang politieke en medische impact. Het begon met de postmortale studie van Zhou, Hofman, Gooren en Swaab (1995) over de BSTc. Het werd later herhaald in MRI-onderzoeken. Een van de meest geciteerde recente papers is Kurth et al. (2022) in het Journal of Clinical Medicine: "Brain Sex in Transgender Women Is Shifted towards Gender Identity". Die studie beweerde dat de hersenanatomie van transgender vrouwen is verschoven van hun biologische sekse richting hun genderidentiteit (een 25% shift op een "Brain Sex Index").
In september 2026 verscheen in Theory and Society een vernietigende peer review van precies die studie (Wright, Rochussen en Stagg). De conclusie is ondubbelzinnig: de methoden zijn systematisch gebrekkig en de headline-conclusie is niet gerechtvaardigd.
De kritiek op Kurth et al. (2022) in het kort
De reviewers wijzen op een reeks keuzes die consequent de resultaten in de gewenste richting duwen:
- Kleine steekproef (n = 24 per groep). Bij zulke aantallen zijn effectgroottes en p-waarden instabiel. Eén outlier in de cis-mannelijke groep kreeg onevenredige invloed; er werd geen sensitiviteitsanalyse gedaan.
- Zwakke rechtvaardiging van parametrische toetsen. Met n = 24 hebben normaliteitstests (Lilliefors, Bartlett) te weinig power om schendingen te detecteren. Niet-parametrische methoden of aanvullende analyses ontbreken.
- One-tailed post-hoc tests "in accordance with our hypothesis". Dit verlaagt de drempel voor significantie. De cruciale vergelijking tussen transgender vrouwen en cis-mannen leverde p = 0.016 (one-tailed). Tweezijdig was het p = 0.032. Na een eenvoudige Bonferroni-correctie voor meervoudige vergelijkingen verdwijnt de significantie volledig (tweezijdig p ≈ 0.096).
- Geen correctie voor multiple comparisons bij de drie paarsgewijze toetsen.
Deze keuzes stapelen zich op en maken de "shift toward gender identity" statistisch fragiel.
Seksuele oriëntatie opnieuw genegeerd
Net als bij de meeste eerdere studies (inclusief Swaab/Gooren) is seksuele oriëntatie de grote confounder. In de transgender-groep van Kurth et al. waren 6 deelnemers androfiel (homoseksueel) en 18 gynofiel (heteroseksueel/autogynefiel). De studie beschikte over deze gegevens, erkende de relevantie van seksuele oriëntatie, maar stratificeerde het cohort niet en rapporteerde geen analyses die deze confounder serieus onderzochten.
Eerdere literatuur laat zien dat homoseksuele mannen (en homoseksuele transgender vrouwen) gemiddeld meer cross-seksuele hersenverschillen vertonen dan gynefiele mannen. Wanneer studies vooral of uitsluitend homoseksuele proefpersonen gebruiken, lijkt er sneller een "shift" te zijn. Wanneer er wel wordt gecontroleerd (zoals bij Savic & Arver 2011), verzwakt of verdwijnt het effect dat aan genderidentiteit wordt toegeschreven.
De rode draad van 1995 tot 2026
- Zhou/Swaab/Gooren 1995: kleine n, hormoonbehandeling als confounder, BSTc-dimorfisme pas in volwassenheid significant, geen adequate controle op oriëntatie.
- Latere MRI-studies: systematisch falen om seksuele oriëntatie te controleren; effectgrootte correleert met het aandeel homoseksuele deelnemers.
- Kurth et al. 2022: dezelfde fouten plus statistische keuzes die de p-waarden kunstmatig verkleinen.
De "brain sex"-hypothese blijft overeind door selectieve citatie, media-aandacht en juridische bruikbaarheid, niet door robuuste, gerepliceerde wetenschap. Wanneer de methoden kritisch worden bekeken, blijkt er geen overtuigend bewijs dat de hersenen van mensen met genderdysforie structureel zijn "verschoven" naar het andere geslacht op een manier die een aangeboren genderidentiteit aantoont.
Sekse is binair en materieel. Genderdysforie is een reële, vaak ernstige psychische toestand die zorgvuldige, exploratieve behandeling verdient — geen medische interventies gebaseerd op overgeïnterpreteerde en methodologisch zwakke neurobiologie.
Bronnen
- Zhou, J.-N., Hofman, M.A., Gooren, L.J. & Swaab, D.F. (1995). A sex difference in the human brain and its relation to transsexuality. Nature, 378, 68–70.
- Chung, W.C.J., De Vries, G.J. & Swaab, D.F. (2002). Sexual differentiation of the bed nucleus of the stria terminalis in humans may extend into adulthood. Journal of Neuroscience, 22(3), 1027–1033.
- Kurth, F. et al. (2022). Brain Sex in Transgender Women Is Shifted towards Gender Identity. Journal of Clinical Medicine.
- Wright, C., Rochussen, A. & Stagg, S. (2026). Flawed methods and overstated conclusions regarding 'Brain Sex': a peer review of Kurth et al. (2022). Theory and Society. Lees de peer review
- Wright, C., Stagg, S. & Buttons, C. (2025). Transgender Brain Studies are Fatally Flawed. City Journal.
- Savic, I. & Arver, S. (2011). Sex Dimorphism of the Brain in Male-to-Female Transsexuals. Cerebral Cortex.
